Het kofschip is niet meer van deze tijd

Het kofschip is niet meer van deze tijd

Ja, u leest het goed. Laten we het kofschip afschaffen! Ik weet ook wel dat ik hiermee direct alle conservatieve en doorgewinterde docenten Nederlands over me heen krijg. Werkwoordspelling zou op die manier met man en muis vergaan. In de facebookgroep Docenten Nederlands zouden leden moord en brand schreeuwen*. Kofschepen worden opgekocht en veiliggesteld. Een klopjacht wordt georganiseerd en als ik eenmaal gevonden ben, zou ik worden gekielhaald en ten onder gaan (letterlijk en figuurlijk) aan het kofschip.

Maar waarom zoveel stampij? Zou dan echt niemand meer de juiste keuzes kunnen maken bij het schrijven van de zwakke ovt-vorm?  

Waarschijnlijk zullen veel docenten dit beamen, want dit ezelsbruggetje, waarin de laatste letter van de stam een belangrijke rol speelt, zorgt bij de leerlingen voor enige houvast en structuur in de warboel van werkwoordsvormen. Toch kan je hier vragentekens bij zetten. Zo gebruiken onze zuiderburen dit ezelsbruggetje bijna niet en leidt deze Vlaamse ‘natuurlijke’ systematiek toch tot minder fouten. Hoe zit dit dan? Gebruiken de Vlamingen een betere methode? Of heeft de onderliggende regel over het vervoegen van stamfinale fricatieven er iets mee te maken? Hoezo mag je bij het werkwoord leasen wel geleased én geleaset kiezen? In deze blog ga ik daar dieper op in en kom ik tot een mogelijke oplossing.

In Nederland zijn zelfs basisscholen vernoemd naar hét ezelsbruggetje van de werkwoordspelling. Dit zou je als één van de bewijzen kunnen zien dat deze ‘spellingsregel’ diepgeworteld in het Nederlandse taalonderwijs zit. De populariteit van de regel brengt ons terug naar de tweede helft van de negentiende eeuw. Taalkundige L.A. te Winkel publiceerde in 1859 het schoolboekje De Nederlandsche Spelling onder beknopte regels gebragt (Noordegraaf, 1983). In 274 regels ontvouwde Te Winkel toen het spellingsstelsel. In een van die regels wordt ’t kofschip ten tonele gevoerd. De tijdsuitgang -de verandert in -te achter de scherpe medeklinkers, aldus Te Winkel. Die scherpe medeklinkers (zes in getal: p, f, k, ch, t en s) worden gehoord in het kofschip. Alleen levert de regel bij woorden zoals verhuisd wel vaak problemen op. Dit heeft te maken met de stemhebbende /z/, die al is veranderd in een stemloze /s/. We schrijven in deze gevallen toch een d, omdat eenzelfde woorddeel zo veel mogelijk op dezelfde wijze wordt geschreven, ook al wordt het misschien in verschillende combinaties op verschillende manieren uitgesproken. Dit zogenoemde gelijkvormigheidsprincipe zorgt ervoor dat we eenzelfde woord kunnen blijven herkennen in verschillende afleidingen en samenstellingen (Verburg, 1998). Immers, het woord hoet koppel en combineer je niet meer zo gauw aan hoeden. En het is de verhuisde familie.

Fricatieven?
In 2013 heeft Johan de Schryver, verbonden aan de Hogeschool-Universiteit van Brussel een artikel geschreven naar de spellingsproblematiek van de zwakke verleden tijd in Nederland en Vlaanderen. De Schryver vermoedde dat Nederlandse spellers meer fouten zouden maken bij de spelling van zwakke ovt-vormen dan Vlaamse. De oorzaak daarvan moest gezocht worden bij de klankverandering, die zich met name in Nederland voltrok en nog niet (of toch in veel mindere mate) in Vlaanderen. Dit verschijnsel zou veel invloed hebben op de werkwoorden met een fricatief als stamfinale consonant. Zijn onderzoeksteam voerden drie testen uit, elke keer onder Vlaamse en Nederlandse spellers. De uitslag? Je zou een volledig wetenschappelijk antwoord erop kunnen geven, maar De Schryver had gewoon gelijk. En ookde kofschipregel kwam om de hoek varen. Als basis gebruikten De Schryver e.a. de ongepubliceerde masterproef van Mons (en ik ook). Daarin komt naar voren dat Nederlandse vwo’ers in ruim 47.9 procent gebruik maakten van de kofschipregel en 2.4 procent de regel niet toepaste. In Vlaanderen werd de regel amper toegepast (variërend tussen nooit een beroep op de regel tot 13.7% van de gevallen). Ook uit de testen van De Schryver kwam een soortgelijk resultaat. En het werd duidelijk: Vlamingen spellen nu eenmaal beter, maar dat ze beter spellingonderwijs krijgen, dat is niet bewezen. Wel maken Nederlandse proefpersonen meer fouten in het vervoegen van de werkwoorden met stamfinale fricatieven. Veel of weinig kennis over infinitieven speelt hierbij een rol.

Conclusies die De Schryver (e.a.) trekken, zijn onder andere dat de verstemlozing van de fricatieven naar alle waarschijnlijkheid een nieuw spellingprobleem zal veroorzaken. Zij noemen dit probleem nieuw, omdat vóór de verstemlozing plaats vond de keuze tussen -te en -de als ovt-uitgang een puur grammaticale, morfofonologische kwestie was. Dit verschijnsel gaat als eerste voor problemen zorgen in Nederland, omdat, zoals al eerder aan gegeven, hier de verstemlozing al veel verder gevorderd is. De uitleg is simpel. Om tot de correcte schrijfwijze van een zwakke ovt (en het voltooid deelwoord) te komen, moeten spellers de standaardvorm van de infinitief én de kofschipregel goed kennen. Voor de didactiek in Nederland is het eerste het grootste probleem. De kofschipregel is immers gebaseerd op de infinitiefvorm en het horen van scherpe medeklinkers. Voor Vlaanderen is mogelijk het tweede. Die gebruiken de kofschipregel niet.

Aan de hand van dit onderzoek kun je je dus afvragen óf we de didactiek (de kofschipregel) moet afschaffen óf de spelling van werkwoordsvormen moeten aanpassen. Dat tweede is ‘zeg maar’ de politieke oplossing. Als we niets doen, gaat het fout. Eerst in Nederland, maar deze problematiek zal in de toekomst ook Vlaanderen aandoen. Ook in Vlaanderen zijn de eerste verschijnselen van stemverlozing ontdekt.

Over het veranderen van de spelling is iedereen huiverig. Zeker bij grotere veranderingen. In Vlaanderen zou een lijstje met 15 werkwoorden, die woorden waarin de meeste fouten worden gemaakt, al de oplossing kunnen bieden, maar in Nederland zou het gesignaleerde probleem pas echt opgelost worden als je bij alle werkwoorden die eindigen op /f/, /v/, /z/ en /s/ de vormen met t als die met d goedkeurt. Dit gebeurt al met bepaalde werkwoorden geleend uit het Engels, zoals bridgen (Commissie Spelling, 2009). Sinds 1954 erkent ons Groene Boekje ook al de dubbelvormen niezen/niesen en schransen/schranzen, waarbij gezegd moet worden dat sinds 2020 beide vormen van niezen enkel zijn toegestaan in de elleboog.
Een minder heftige ingreep, zoals enkel de 15 werkwoorden die in het Vlaamse taalgebied vaak foutief worden geschreven, zou in Nederland het leerprobleem groter maken. Maar een nadeel van álle dubbelvormen goedkeuren, is dat dat zou kunnen leiden tot leesproblemen en negatieve sociale reacties, aldus de Commissie.

Zelfs Oosterdorp
In 2008 gaf Marc van Oostendorp, heel eerlijk, toe dat ook hij hele dagen nadenkt over het verschil tussen den t (Van Oostendorp, 2008). In zijn oratie geeft hij aan dat de laatste jaren er veel nuanceringen zijn geweest op verscherping, wat heeft geleid tot veel uitzonderingen. Enkel ervan uit gaan dat woorden in het Nederlands niet eindigen op een /d/, een /b/, een /v/ of een /z/, klopt niet. Een woord als hoed of hond eindigt wel op de letter d, maar ze eindigen zeker niet op de corresponderende klanken. Spellingsregels gaan daar soms stiekem wel van uit. Studies naar dialecten tonen aan dat er wel degelijk woorden eindigen op deze letters. Wie de statistieken rondom werkwoorden met b/p en d/t aan de ene kant en aan de andere kant met v/f of z/sbekijkt, merkt een groot verschil op. De eerste noemen taalkundigen ‘plofklanken’, ook wel plosieven, de ander wrijfklanken, gelijk aan het eerdergenoemde begrip fricatieven. Bij plofklanken is de stemloze variant het populairst, bij fricatieven de stemhebbende. Alleen merkt Van Oostendorp op dat stemhebbende plosieven en fricatieven aan het eind van een woord of lettergreep nu allemaal stemloos klinken. Om dit te verklaren spreekt Van Oostendorp van twee scholen, die hij voor het gemak de paradigmatheorie en de structuurtheorie noemt. De paradigmatheorie gaat ervan uit dat werkwoorden zitten opgeslagen als rijtje, terwijl de structuurtheorie ervan uitgaat dat de stam is opgeslagen en kan worden voorzien van een uitgang. In zijn oratie haalt Van Oostendorp op een gegeven moment ook nog de partiturenopvatting aan. Hierbij geeft hij aan dat mensen het liefst kiezen voor de minst complexe vorm, dus de stemloze plosief of de stemhebbende fricatief.

Net zoals bij De Schryver geeft Van Oostendorp aan dat bij het schrijven van de ovt-vorm met -te of -de gebruik wordt gemaakt van de frequentie hoe vaak de fricatieve letter aan het einde voor komt. Dat in de Nederlandse woordenschat veel meer werkwoorden eindigen op -pen, zorgt ervoor dat personen eerder kiezen voor -te, ook al gaat het om werkwoorden als tobben of slibben. De verstemlozing draagt daar niet aan bij. De medeklinkers aan het eind van een stam zijn nu eenmaal niet gelijkelijk verdeeld over de Nederlandse woordenschat. Van Oostendorp controleert dit door een eenvoudig experiment met zelfverzonnen werkwoorden als ik grop/grob. Als die woorden worden voorgelezen aan iemand, is het door de proefpersoon niet te controleren op schrift. Wanneer dan gevraagd wordt om de verleden tijd van dit werkwoord te maken, kan in theorie zowel ik grobde als ik gropte gekozen worden. In de praktijk kiezen de meeste mensen voor de laatste, de vorm die dus aansluit bij hoe de meeste werkwoorden eindigen. De Schryver heeft verschillende werkwoorden gekozen die heel weinig gebruikt worden, waardoor de proefpersonen ook soms moesten gokken.

Vlaanderen – Nederland 1-0
Wat maakt dat de Vlamingen het dan beter doen? Bekend is dat de Vlamingen het kofschip, in al zijn varianten (zelfs de sexuitschuifpik), links laten liggen. Maar wat doen ze wel? Het artikel van De Schryver geeft hier geen voorbeelden van. Wat wel kan worden vastgesteld, is dat er niet gewerkt wordt met de kofschipregel. Navraag bij taaltelefoon.be en Onze Taal doet ook vermoeden dat het beter spellen van Vlamingen niet ligt aan het toepassen van het kofschip of niet. De oorzaak moet toch gezocht worden in de verstemlozing, die nu eenmaal veel meer aanwezig is in Nederland, dan in Vlaanderen. De vervoegingsregels met -te in Vlaanderen zijn namelijk wel ‘gewoon’ gestoeld op de fricatieven. Alleen wordt daar de /f/ nog echt als /f/ uitgesproken en is het onderscheid met de /v/ duidelijk te horen. Het gebruik van kofschip is dan alleen maar het ezelsbruggetje van de regel. Hierdoor lijkt het onnodig om de werkwijze van Vlaanderen over te nemen, aangezien dit de verstemlozing niet doet verminderen. Daarentegen, Vlaanderen moet zelf gaan uitkijken, omdat in recentere studies al is aangetoond dat ook in Vlaanderen klankverandering gesignaleerd is.

Dubbelvormen dan maar accepteren?
Is het verstandig om met deze kennis over verstemlozing enkel te blijven inzetten op het gebruik van het kofschip? Nee, is mijn conclusie. Als straks het verschil tussen een /f/ en /v/ helemaal niet meer te horen is, is het ezelsbruggetje niet eens meer te gebruiken. En de onderliggende spellingsregel ook niet. Van Oostendorp geeft al aan dat in dialecten dit überhaupt niet opgaat en daarnaast bleek uit het onderzoek van De Schryver ook dat maar de helft van de Nederlandse spellers ‘de regel’ toepast. Ook bij mijn leerlingen merk ik dat ze het hele kofschip erbij halen, maar een tijdrovend verhaal vinden. De regel om bij stamfinale fricatieven -te toe te voegen aan de ovt-vorm mag van mij wel verdwijnen. In het onderwijs zullen we de regel in stand kunnen houden, door steevast de infinitief te geven, waardoor leerlingen weten dat het werkwoord ‘bonzen’ in de infinitief dus een /z/ heeft, maar wie heeft daar wat aan op straat? En ook bij het schrijven van deze blog, is er niet een lijst met infinitieven die mij helpt. Door enkel bij de lijst met de 15 werkwoorden uit Vlaanderen de dubbelvormen te accepteren, zorg je voor het leren van lijstjes en daarmee dus uitzonderingen. Het lijkt mij onverstandig om een spellingregel rondom fricatieven aan te houden, als we weten dat we in de toekomst een taal hebben waar het verschil tussen stemhebbende en stemloze finale klanken niet meer hoorbaar is.

Zo! Al overtuigd? Ook zo’n behoefte aan kof-fie? Mijn voorkeur gaat dus uit naar het toestaan van dubbelvormen bij álle werkwoorden met een stamfinale fricatief. En dat het Groene Boekje dan moeilijk gaat doen? Dat is onzinnig. De Taalunie zou blij moeten zijn dat iedere taalliefhebber zijn editie uit 2015 weer kan (of moet) vervangen. Want immers, de taalkunde, toegepast of niet, is er niet om taalverandering (of -verloedering) tegen te gaan. Laten we gewoon kijken waar het schip strandt. En wilt u binnenkort naar Rotterdam of Antwerpen? Pak gewoon de trein.

*Dit gebeurt overigens wel vaker.

 

Bibliografie

Commissie Spelling. (2009). Technische Handleiding. Opgehaald van Nederlandse Taalunie: http://taalunieversum.org/spelling/download/technische_handleiding.pdf

De Schryver, J., Neijt, A., Ghesquière, P., & Ernestus, M. (2013). Zij surfde, maar hij durfte niet. De spellingproblematiek van de zwakke verleden tijd in Nederland en Vlaanderen. Dutch Journal of Applied Linguistics, 2, 133-151.

Kissine, M., Van der Velde, H., & Van Hout, R. (2003). An acoustic Study of Standard Dutch /v/, /f/, /z/ and /s/. In L. Cornips, & P. Fikkert, Linguistics in the Netherlands 2003 (pp. 93-104). Amsterdam: John Benjamins.

Mons, S. (2008). Strategieën voor de spelling van de onvoltooide verleden tijd. Ongepubliceerde masterproef Hogeschool-Universiteit Brussel, Brussel.

Noordegraaf, J. (1983). Reilen en zeilen van ’t kofschip. Onze Taal. Jaargang 52, 125.

Van Oostendorp, M. (2008). De duivel zit in het verschil tusen d en t. Leiden: Phonological Microvariation, Universiteit Leiden.

Verburg, M. (1998). Maar waar komt dat kofschip nu vandaan? Onze Taal. Jaargang 67, 156.